donderdag 19 februari 2015

Reïncarnatie

Heb je ook wel eens dat je rustig aan het mediteren bent en dan ineens terechtkomt in de herinnering aan een vorig leven? Nee? Over de inhoud ga ik verder maar niets vertellen, want de laatste keer dat ik dit probeerde, werd het enigszins freaky gevonden. Zelfs als mensen open-minded zijn, hebben ze al snel zoiets van 'ja, ik geloof wel dat er meer tussen hemel en aarde is, maar dit wordt me iets te concreet'.

Toch is het zo gemakkelijk om toegang te hebben tot informatie uit je hogere zelf of essentie. Het is anders dan het je herinneren van een droom. Het is niet ongrijpbaar, zweverig of etherisch. Het is eerder alsof je je plotseling een film uit je kindertijd herinnert. Je kunt bepaalde scènes nog voor de geest halen, wellicht een aantal personages, maar de volledige plot is weg, hoewel de sfeer je nog bijstaat, in flarden. Als je je ogen dichtdoet, verschijnen echter alle beelden die je nodig hebt voor je geestesoog. Alsof de film weer gaat draaien omdat je ernaar kijkt. Ondanks dat de rollen gespeeld worden met schmink, pruiken en kostuums, kun je de acteur erachter herkennen. Hij of zij speelt immers ook in de film waar je nu in leeft. Je ziet het aan de ogen. Je ziet het altijd aan de ogen. Die zuigen je naar binnen, recht de ziel in. Of ze nu blauw zijn of bruin, ze zijn altijd hetzelfde.

Tandraderen schuiven in elkaar en beginnen te draaien, en er wordt een groot licht geworpen op de situatie waar je nu in zit. Ah, dus zo zit het in elkaar. Er is sprake van karma. Er moet iets afgelost worden.

Alles heeft een betekenis, een zin. Toegegeven, in het geval van een jong, plotseling sterfgeval, zoals recentelijk in mijn omgeving gebeurde, is het absurd om hierover na te denken. Maar we zijn meer dan alleen ons vlees en bloed. We zijn spirituele wezens met een menselijke ervaring. Het leven houdt niet op bij de dood, maar ontstijgt de dood. Zowel tijdens het leven als erna. En soms wordt er even een stukje van de sluier opgetild, en kun je een stukje van the bigger picture zien. Voor mij is dat een troost. En ik bid, ja, ik bid, ervoor dat een stukje van die eeuwige liefde en troost, hoe klein ook, de nabestaanden zal bereiken.

maandag 2 februari 2015

Illusies en magie

Ik las een boek (De terugkeer van de Healers van Joy Ligteringen) dat me herinnerde aan een verhaal dat ik ooit heb geschreven. Ik was toen 18, er waren andere films actueel en ik was net begonnen met spiritualiteit. Het illustreert mooi wat ik in mijn vorige blogpost heb geschreven over dromen, en werken met je dromen. Overigens staat 'water' in dit verhaal niet symbool voor emoties, maar voor magie

1.
Het was een dag vroeg in de herfst toen ik bij Shelly op bezoek ging. Shelly was een waarzegster, of een medium, zoals ze dat in die kringen noemen. Ik las over haar in een of ander paranormaal georienteerd tijdschrift dat ik in een opwelling had gekocht. Soms zijn dat soort opwellingen goed en soms hebben ze geen zin, en omdat ik daar in dit geval eigenlijk geen keuze tussen kon maken besloot ik contact op te nemen. Misschien was het tijd om wat dingen recht te zetten, dingen die ik al veel te lang had verwaarloosd. Dingen die me op onbewaakte momenten bekropen en met bleke spinnenpoten mijn geest aftastten op zoek naar gaatjes waar ze hun eitjes van onrust in konden leggen.
    Soms zijn keuzes geen keuzes, maar slechts wat er gebeurt als je mogelijkheden aan je voorbij laat gaan.
    Als er één ding is waar wij mensen goed in zijn, is het onszelf bedriegen. We laten ons vrijwillig voor de gek houden – wat doen we anders met al onze films en toneelstukken?
    Wat we zien is wat we ervan maken, maar wat we ervan maken is niet hetzelfde als wat we zien – als we tenminste echt zouden kijken. Maar menselijke ogen kunnen zelfs de ware kleuren van licht niet waarnemen. Alles wat we zien is een stroom van inaccurate beelden.
Illusies.
Onze gedachten halen trucs met ons uit. Ze benevelen ons zicht, blokkeren onze dromen en laten ons denken dat dit geen kwaad kan. Het is als een eindeloze reeks gordijnen waar we doorheen lopen tot we hopeloos verdwaald zijn. We zijn wanhopig als de fluwelen stof ons verstikt, maar we blijven het omarmen omdat het zo zacht en warm en vertrouwd is.
Alles is een illusie.
Als iets me kon helpen was het wel iemand die me de waarheid kon vertellen.
Shelly. Ik vond het geen naam voor een waarzegster. Ik had verwacht dat dit soort mensen zich hulde in namen als Aurora, Sybille of Apolonia, namen die vergezeld gingen van glinsterende gewaden en rinkelende sierraden. Ook in dat laatste moest ik mijn beeld bijstellen. Shelly droeg een spijkerbroek en een rode coltrui. Het enige hekserige aan haar was het pentagram om haar hals.
    ‘Kom verder,’ zei ze met een opmerkelijk zachte, hese stem – iets wat me aan de telefoon ook al was opgevallen. Haar krullende haar was dun en had de kleur van roest. Ik schatte dat ze ongeveer dezelfde leeftijd had ik. Ze glimlachte vragend toen ik haar zo zat te observeren. Toen trok ze de deur verder voor me open en stapte ik haar huis binnen.
    ‘Koffie of thee? Ga daar maar zitten.’ Ze wees naar een tafel met twee stoelen en stak haar hand naar me uit. ‘Ik ben Shelly.’
    Ik schudde de hand. ‘Richard. Thee, graag.’
    Ik liep terug naar het kleine halletje en hing mijn jas voorzichtig op aan een gammele kapstok. Ik schaamde me een beetje voor de nattehondengeur die ervan af kwam. Het was een oude jas die ik na een warme zomer weer uit z'n hoekje in de berging had gehaald, en het regende buiten, zoals alle muffe luchtjes die zich erin hadden verzameld volledig tot hun recht kwamen.
    Ik nam het interieur in me op. Geen wierookgeur, geen paarse wandtapijten met spiegeltjes aan de muur en geen muziek die was samengesteld uit kabbelend water en onbestemde pianoriedeltjes. Een doodnormale huiskamer. Boven de televisie hing de schedel van een rendier op een gelakt plankje. In de hoeken stonden grote groene planten met slappe bladeren.
    ‘Ga toch zitten, Richard!’ riep Shelly uit de keuken. Ze kwam naar me toe met een houten doos in haar handen. ‘Welke thee wil je?’
    Ik keek in de doos en pakte een zakje. 'Deze is wel passend, toch?'
Shelly glimlachte. Ik besloot dat ik haar wel mocht.
    Ik ging zitten. Op de tafel lagen de attributen van een waarzegster. Tarotkaarten, gewone kaarten, een pendel. Ik voelde een lichte afkeer. Ik had die spullen niet nodig. Ik wilde gewoon mijn verhaal vertellen. Terwijl ik wachtte luisterde ik naar het getik van de regen op het raam, en vroeg ik me dingen af, zoals wat me bezielde om met een volslagen wildvreemde te gaan praten over iets dat ik zelf al jaren had verzwegen. Met mijn handen wreef ik over mijn natte knieën.
    Uiteindelijk kwam Shelly met de thee. Het rook als het stoomwater waar mijn oma me altijd boven had gehangen als ik verkouden was.
    Ik beloofde mezelf dat ik weg zou gaan als Shelly na vijf minuten nog niets waars had gezegd.
    Ze zuchtte en staarde naar buiten. ‘Wat een hondenweer, hè?’
   ‘Wat ik kom vertellen vond ook plaats in de regen,’ zei ik, nogal onhandig, maar, tenminste zo hoopte ik, met de onmiskenbare bedoeling om meteen terzake te komen. Ik was er goed in andermans gezichten te lezen, maar aan dat van Shelly kon ik op dat moment niets zien. Haar ogen waren grijs en kalm. Ze vouwde haar handen op tafel en keek me aan.
    Ik keek naar buiten, en na een tijdje begon ik.
    ‘Het was nacht. Ik kwam uit een nogal mislukt feestje, had wat gedronken, en liep over straat om af te koelen. De kroeg lag aan het water, dus ik begon het pad langs de oever te volgen. Na een tijdje zag ik in de verte lichtjes op het water en tegelijkertijd hoorde ik vlagen muziek. Omdat ik op dat moment toch niets beters te doen had liep ik ernaartoe. De muziek kwam van een verlichte boot. Hij lag aangemeerd aan een van de pieren. Ik stond er een tijdje naar te kijken, in de overtuiging dat ik alleen was. Tenminste, dat dacht ik, tot ik haar zag staan. De gestalte van een vrouw, haar glanzende blauwe jurk verlicht door de lichten van de boot. Ze stond bij de loopplank, aan het einde van de pier. Toen ik haar riep, verdween ze naar binnen. Ik besloot haar te volgen – ik denk dat ik haar toen al herkende.’ Ik stopte. ‘Hoe moet ik dit vertellen? Wil je dat ik er steeds bij zeg waarom ik deed wat ik deed?’
   ‘Vertel het zoals je het wilt vertellen.’ Haar toon was vriendelijk.
   ‘Sorry, ik ben niet zo bekend met de werkwijze van een medium.’ Ik wierp een blik op de spullen op tafel.
    Shelly's blik volgde de mijne. ‘Dat is alleen houvast,’ zei ze. Ze glimlachte. ‘Sommigen vinden dat prettig. Ik denk niet dat jij het type bent voor mysterieuze pendelbewegingen?’
    Ik haalde mijn schouders op en ik schudde mijn hoofd. Ik wilde haar niet kwetsen.
    ‘Luister, Richard,’ zei Shelly. Ze boog zich naar voren. ‘Jij bent hier om je verhaal te doen. Dat was wat we hadden afgesproken. Ik luister, en als je dat wilt geef ik je advies. Dan zien we verder. Vertel het zoals je wilt.’
    Ik knikte en verzamelde adem – en moed – voor de volgende woorden.
    ‘Goed, ik liep dus die pier op naar de boot. Ik kon onbelemmerd naar binnen lopen. Er was niemand. Nog steeds hoorde ik die gedempte muziek. Ik aarzelde. Waarom zou ik zomaar naar binnen lopen, vroeg ik me af, maar niet voor lang. Er was hier misschien nog wat lol te beleven, iets dat de avond kon redden. Ik was toen drieëntwintig, twaalf jaar jonger dan ik nu ben...’ Ik zocht naar woorden.
In die stilte zei mijn waarzegster iets vreemds: ‘Bij dit soort dingen is tijd nooit zo belangrijk.’ Ze hield haar hoofd schuin, waardoor er een paar strengen haar voor haar gezicht vielen. ‘Ga verder.’
De woorden waren als een regendruppel die in een plas water viel en in een volmaakt symmetrisch patroon de gladde spiegel in beroering bracht – de voorbode van een regenbui. Ik ging verder.
    ‘‘Hallo?’ riep ik, maar er kwam geen antwoord. Ik besloot naar binnen te gaan. De boot leek op een soort circusboot, want er lag rood tapijt op de vloer en de muren waren beschilderd. Ik bedacht me dat de voorstelling waarschijnlijk al bezig was.’
    Ik groef in mijn herinneringen terwijl ik vertelde.
    Ik was door de gang gelopen, en toen die zich in tweeën splitste ging ik de kant op van de muziek. Nu pas kon ik het goed horen. Buiten waren de klanken verwaaid geweest door de wind. Het was slepende muziek, een beetje treurig, als de muziek bij een dans in een rokerige oude film, met zwarte kostuums en glanzende kapsels.
    Aan het einde van de gang was een deur. Ik aarzelde, bestudeerde het houtwerk even, en klopte toen. Er kwam geen reactie.
    De muziek werd luider toen ik de deur opende, maar het was stikdonker. Met mijn hand tastte ik vooruit, en vond de fluwelen structuur van een gordijn. Ik schoof het opzij. Het onthulde een klein zaaltje met een bescheiden houten podium. Er was niemand, alweer niet. Ik ging zitten en ik wachtte. Als ze niet wilden dat er vreemdelingen op de boot kwamen moesten ze hem maar beter afsluiten en betalen kon altijd nog. Ik bekeek de tikkende wijzer op mijn horloge. Plotseling wist ik dat er iemand op het podium stond. Ik keek op. Het was de vrouw in de glanzende blauwe jurk. Ik kwam overeind.
    ‘Mama?’
    Ze legde haar vinger op haar lippen. Ik zakte weer naar achteren.
    ‘Het was de vreemdste voorstelling die ik ooit had gezien,’ zei ik tegen Shelly, ‘als je het al een voorstelling kon noemen. Toch bleef ik zitten. Het was mijn moeder, die vrouw, en mijn moeder was zes jaar daarvoor overleden. Daar was ik me heel goed van bewust. Maar mijn waarnemingen waren niet helemaal zoals het hoorde. Misschien kwam het door de alcohol. Ik ben vergeten wat ze deed, op dat podium, maar ik weet nog wel dat er halverwege het stuk een man bij kwam. Het was een man met maskers. Eerst dacht ik dat ik het zelf was, maar toen knipperde ik en was zijn gezicht plotseling anders. Hij begon te dansen met mijn moeder. Elke keer dat ik mijn blik op haar richtte en weer naar hem keek was zijn gezicht veranderd. Het waren de gezichten van mensen die ik kende – vooral acteurs, denk ik. Ze hadden ooit eens allemaal vaders gespeeld en ik begreep, met een logica die verdacht veel leek op droomlogica, dat dit mijn vader moest zijn. Ik viel in slaap. Toen ik weer bijkwam lag ik op de pier, volkomen natgeregend. De boot was weg.
    ‘Ik heb mijn vader nooit gekend. Hij verliet ons vlak na mijn geboorte en mijn moeder bewaarde geen foto's van hem.’
    Ik zweeg en nam een slok van mijn kamillethee. ‘Dat was mijn verhaal.'
    Het was bijna alsof ik iets had verteld wat iemand anders was overkomen. Of alsof het een sprookje was, een droom. Ik kon wel vertellen wat er gebeurd was, maar ik was niet in staat om de sfeer en de emoties die ik erbij voelde in woorden te vatten. Hoewel ik wist ik dat het niet een goede vraag was, stelde ik hem toch: 'Wat betekent het?’
    Shelly keek me met half toegeknepen ogen aan. Ze had haar handen tegen elkaar geplaatst en drukte ze nu even tegen haar lippen. Ze had aandachtig geluisterd naar de rest van mijn verhaal, zonder verdere onderbreking. Het was alsof ze nog steeds luisterde. ‘Dat kan ik je niet zomaar vertellen,’ zei ze.
    ‘Wat weet je wel? Je moet toch iets weten? Waarom droomde ik het – dróómde ik het wel?’ Ik liet me de vragen bijna onbedoeld ontvallen. Met opeengeklemde kaken wachtte ik haar antwoord af.
Ze zweeg even. ‘Ik voel hoe belangrijk de ervaring voor je is,' zei ze, 'Maar je vader of je moeder zijn buiten beeld. Dat is niet waar het om gaat.’
    Ik nam nog een slok van mijn kamillethee. Men zei dat het rustgevend was.
    ‘Wat ik wil weten,’ begon ik, ‘is waarom de ervaring me zo blijft achtervolgen. Waarom ik het niet kan afdoen als een stomme droom veroorzaakt door teveel alcohol.’
    ‘Omdat je wéét dat het waar is. Het heeft een belangrijke plek in je hart ingenomen. Alsof het symbool staat voor iets.’
    Ik dacht na. ‘Maar het slaat nergens op. Ik heb mijn vader nooit gekend en mijn moeder had geen goede herinneringen aan hem. Ze kreeg vrij snel na hem een vriend, een aardige man die ik altijd als vader heb beschouwd. Waarom zou ik mijn moeder en mijn biologische vader met elkaar laten dansen in een droom? Is dat als een huwelijk? Accepteer ik daarmee mijn verlies?’
Ergens had ik het gevoel dat ik nu teveel van mezelf weggaf, dat ik haar zicht gaf op gedachteprocessen die privé waren. Ze keek me even aan en liet een stilte vallen.
    ‘Wil je misschien een koekje?’ vroeg ze uiteindelijk.
    ‘Nee, dank je.’ Mijn hoofd stond niet naar koekjes. ‘Ik wil eigenlijk eerst die tarotkaarten eens proberen. Voordat we over mijn ouders gaan praten, bedoel ik.’
    Ik had eigenlijk tijd nodig om mijn gedachten op een rijtje te zetten.
    ‘Natuurlijk.’ Shelly pakte de stapel op. ‘Ik doe het op de manier van de Roma. Ik trek drie kaarten. Je hebt het vast wel eens in films gezien.’
    Ik knikte. Films, tv-series. Als ze me om titels had gevraagd, had ik ze kunnen noemen. ‘Je bedoelt dat ik de stapel moet delen.’
    Shelly knikte. Ze schudde de stapel en gaf hem aan me. ‘En daarna geef je ze terug.’
    Ik knikte en deed wat ze zei.
    Op de plaats waar ik had gedeeld pakte Shelly een kaart. Ze legde hem voor zich neer. ‘Kelken zeven,’ zei ze. ‘Je koestert illusies.’ Ik verstijfde. Shelly ging verder. ‘Je houdt jezelf voor de gek of je wordt misleid door anderen. Dit is de kaart van het verleden.’
    Ik deelde de stapel nogmaals. ‘De maan. Je bent bang. Je vreest het onbekende. Tegelijk heb je levendige dromen en fantasieën. Je ben aan het dwalen, en daarbij kom je ook teleurstellingen tegen. Dit is de kaart van het heden.’
    Ik deelde de stapel. ‘De gehangene. Je bent passief en je denkt na. Er is rust en wijsheid. Dit is de kaart van de toekomst.’
    Shelly keek me aan. Haar grijze ogen leken recht in mijn ziel te kijken. 'Dus als ik het goed heb, worstel je met de werkelijkheid, en dat heb je altijd gedaan.'
    Ze wachtte op een reactie, en toen ik een knikje had gegeven ging ze verder. 'De kaarten zeggen dat daar spoedig een einde aan komt.'
   'Oh, mooi,' ontglipte mijn verradelijke lippen, met een niet te ontkennen ondertoon van sarcasme erin.       
   Shelly trok haar wenkbrauwen op.
   Er viel een pijnlijke stilte.
   ‘Mijn ouders,’ zei ik om hem te doorbreken.
   ‘Je ouders.’ Ze zweeg even. ‘Ik ben een medium. Mediums kunnen rechtstreeks of via hun gids communiceren met zij die hun leven op aarde verlaten hebben,’ legde Shelly uit. ‘Maar jouw ouders bereik ik niet.’
   Ik keek eens goed naar haar. Ze leek iets anders te bedoelen dan wat ze zei. Ik had geen flauw idee wat ik moest zeggen. Tja, zulke dingen gebeuren, of iets in die trant leek me niet helemaal van toepassing. En trouwens, dit was misschien een slimme verhulling van het feit dat ze helemaal niet van dat soort gaven had. Ik merkte dat ik haar nog steeds niet vertrouwde. Maar daarbij was ook een soort tintelende nieuwsgierigheid gekomen. Ik wilde weten wat Shelly te zeggen had. Ik hoefde het niet voor waar aan te nemen – alles is een illusie, dacht ik, haast onbewust – maar ik wilde het weten.
Shelly drukte haar vingers tegen haar slapen. Ze opende haar ogen en leek plotseling te beseffen dat ik ook nog in de kamer zat.
Ze stond abrupt op en beende naar de keuken. Ik zat roerloos in mijn stoel. Even later kwam ze terug, met een schaal koekjes, een theepot en wimpers als een krans van plakkerige rozendoorns. ‘Wil je nog wat thee?’ vroeg ze. Ze keek naar de grond.
Nee, dank je,' zei ik. En toen: 'Gaat het wel?’
Nou, eigenlijk niet. Het spijt me, maar zouden we ons gesprek op een ander tijdstip kunnen voortzetten? Dan kan ik wat dingen uitzoeken, voor mij, maar ook voor jou.’
Geen probleem,’ zei ik, hoewel ik dat niet helemaal zeker wist.
Ik dronk mijn kamillethee in één lauwe teug op. Ik had een hekel aan lauwe thee. Eigenlijk had ik een hekel aan thee in het algemeen. Toen ik bij de deur stond zei Shelly nogmaals dat het haar speet. ‘Normaal gebeurt dit niet.’
Het is wel goed,’ zei ik. Mijn jack was zo mogelijk nog erger gaan stinken.
Ik bel je nog,’ zei ze. Ze deed de voordeur open.
Bedankt voor de thee.’ Ik knikte, als om het bezoek voor mezelf te bevestigen, en liep naar buiten. Toen ik omkeek zag ik haar achter het raam staan in haar rode coltrui, met haar armen om zich heen geslagen, alsof ze het koud had.

2.
Ik liep naar huis. De geur van rottende herfstbladeren dreef door de lucht. Ik had het gevoel dat alles in mijn hoofd was losgeschroefd en terug was gezet op precies de verkeerde plek. Ik zei tegen mezelf dat de betekenissen van tarotkaarten zo algemeen waren dat ze altijd wel van toepassing waren. Bovendien had Shelly er waarschijnlijk een persoonlijke draai aan gegeven, gebaseerd op mijn verhaal. Het was dus geen wonder dat wat ze zei zo raak was. Maar toch.
    Ik wist niet wat ik ervan moest denken.
    Ik had behoefte aan een wandeling. Als vanzelf brachten mijn voeten mij naar de rivier. In de verte zag ik de pieren, maar er lag geen boot aangemeerd. Het regende niet zo hevig dat ik dat niet kon zien.
Voorzichtig liep ik de pier op. De planken waren glad. Ik stond er een hele tijd, uitkijkend over de rivier. Mijn handen in mijn zakken gestoken, mijn kraag op tegen de regen. Op een gegeven moment had ik genoeg van al dat water en liep ik terug naar huis.
    Vanavond, zo besloot ik, ga ik een harde actiefilm zien.
    Thuis werd ik opgebeld.
    ‘Richard.’
    ‘Hé, Rich, Jerry hier.’
    Ik kreunde inwendig.
    ‘Weet je Rich, er bestaan verschillende soorten magie,’ zei Jerry.
    ‘Is dat zo?’ vroeg ik voorzichtig.
    ‘Ja, en een daarvan is... raad eens?' Hij liet voor de vorm een stilte vallen, te kort om mij zelfs maar de gelegenheid te geven adem te halen, en zei: 'Janette is weer bij me terug! Ik bracht haar een bloemetje, zoals je had gezegd, ik viel op mijn knieën voor haar voordeur – dat had ik zelf bedacht – en ik zei dat het me zo, zo, zo speet. En gisteravond kwam ze aan mijn deur en ze zei dat ze het niet meer kon verdragen om niet meer bij me te zijn. Liefde is magie, jongen. Weet je wat we vervolgens deden?’
Jerry klonk als een koerier die net een lange en slopende sprint had getrokken en nu met zijn laatste adem zijn mededelingen van levensbelang moest doen, voor hij instortte. Ik slaagde erin hem te onderbreken.
    ‘Nee, Jerry, en ik geloof ook niet dat ik dat wil weten. Waarom bel je?’
    Hij viel stil. ‘Nou, om dat te vertellen. Ik dacht dat je blij voor me zou zijn.’
    ‘Is ook zo, Jer. Maar nu... ik voel me niet zo lekker.’
    Jerry was een oude vriend van school, een tijd die ik liever wilde vergeten, omdat ik zo ongelooflijk de clown had uitgehangen dat het voor de rest van mijn leven genoeg was. Ik kwam hem zo nu en dan tegen en op de een of andere manier was hij aan mijn telefoonnummer gekomen. Waarschijnlijk had ik het hem zelf gegeven in een kroeg, maar dat wist ik niet meer en dat deed er ook niet toe. Feit was dat hij af en toe de drang voelde de oude banden versterken. Zoals nu.
    ‘Hé, kop op, ouwe jongen. We gaan vanavond naar de film, Janette en ik. Zin om mee te gaan?’
    ‘Dat lijkt me niet zo’n goed idee. Genieten jij en Janette maar samen van de film, daar heb je mij niet bij nodig.’
    ‘Dat is misschien ook wel zo. Hé, als ik iets voor je kan doen…’
    ‘Ja, is goed, Jerry. Veel plezier vanavond.’
    We hingen op.
    Er bestaan verschillende soorten magie. Vreemd genoeg bleef die zin de rest van de dag rondspoken in mijn hoofd. In plaats van een actiefilm huurde ik die avond een film over een goochelaar. Hij liet ballen ronddraaien in zijn hand, verdwijnen en weer tevoorschijn schieten. Ik realiseerde me tijdens de film pas echt dat de trucs van een goochelaar allemaal maar op één manier uitgevoerd konden worden. Het leek misschien zo alsof de bal een andere kant op had kunnen rollen voor hetzelfde effect, maar dat was alleen om de illusie in stand te houden.
    Toen de film afgelopen was – de goochelaar had de grootste truc van zijn leven uitgevoerd om het te redden – zette ik de computer aan. Ik zocht de betekenissen op van kelken zeven, de maan en de gehangene. Ze stemden redelijk overeen met wat Shelly had gezegd. Ik las dat een tarotlegger moest duiden met betrekking tot de situatie, omdat er soms tegenstrijdige duidingen van één kaart bestonden. Ik vond dat ze de duidingen minder tegenstrijdig hadden moeten maken en ik vroeg me af hoeveel van de achtenzeventig kaarten qua betekenis op elkaar leken.
    Mijn hoofd tolde toen ik naar bed ging.
    Ik droomde.
    Ik stond op een immense witte vlakte. Iets, een zwart puntje in de verte, kwam dichterbij, groeide uit tot iets langs en roods en nam de vorm aan van een rij gordijnen. Ik duwde ze opzij en worstelde om naar binnen te gaan. Uiteindelijk kwam ik, hijgend en bezweet, in het midden. Er stond iemand met de rug naar me toe. Het was Shelly. Ze huilde geluidloos. Ik knipperde met mijn ogen. Toen ik ze weer opendeed waren de gordijnen en de witte vlakte verdwenen en stonden we bij de rivier, ik op de oever en zij op de pier. Het was nacht en de maan scheen. Zachtjes klotste de boot op het water. Het luik was open. Shelly liep naar binnen. Achter haar sloeg het luik met een doffe klap dicht. Ik probeerde de pier op te lopen, maar het was alsof mijn benen van rubber waren.
    De boot voer weg. De maan scheen op het water.
    Ik werd wakker. Ik keek met tegenzin op de wekker en realiseerde me met een kreun dat het maandagochtend was. Ik moest naar mijn werk. De spiegel gaf me een veel te gedetailleerde indruk van mijn bleke gezicht. Mijn donkerbruine ogen leken net twee zwarte gaten.
    Op kantoor werd ik met allerlei vervelende klusjes opgezadeld. Er kwam die dag een nieuw meisje werken, klein, met krulhaar. Ik probeerde haast automatisch uit te maken of ze wat was. Jerry zei steeds tegen me dat ik een vriendin moest zoeken, omdat ik anders in mijn eentje een bibberend oud mannetje zou worden. Ik moest denken aan de betekenis van de maan. Op internet had ik gevonden dat de kaart ook kon staan voor de vrouw in mijn leven, als die aanwezig was.
    Uitgerekend ik moest het nieuwe meisje wegwijs maken in het bedrijf, en daarnaast moest ik zelf allerlei vervelende telefoontjes plegen omdat de telefoniste haar stem kwijt was aan een hardnekkige keelgriep.
Shelly belde me die dag niet. Ik huurde 's avonds een actiefilm.

Het nieuwe meisje maakte in amper een week meer contact met haar collega's dan ik had gedaan in de zeven jaar die ik er werkte. De maandag erna besloot ik haar aan te spreken.
    ‘Kijk je vaak films?’ vroeg ik. We leunden op een paar stoelen in de kantine, met een beker koffie in onze hand.
    'Soms wel, als ik er tijd voor heb,’ zei Mariska met haar hoge stem. ‘Ik zag laatst een film over vampiers van Quentin Tarantino.’
From dusk till dawn. ‘Mooie film?’ vroeg ik, om haar te polsen.
    ‘Mijn vriendin wilde hem zien omdat ze helemaal gek is van George Clooney. Ik denk dat ik daar een beetje in meegesleept werd.’ Ze lachte. Het was een aanstekelijke lach, een lach waarin je mee moest gaan, iets wat ik dan ook braaf deed. Ik kon zien dat haar tanden een beetje scheef stonden, maar ze waren hagelwit. Toen we klaar waren met lachen vroeg ik: ‘En wat vond je van de plotwending?’
    ‘Plotwending?’
    ‘Dat is een verrassende omslag in het verhaal die je meestal niet ziet aankomen.’
    ‘Ik weet wat het is,’ zei ze, en haar lach was plotseling uit haar stem verdwenen. ‘Maar ik vroeg me af welke je bedoelde.’
    Ik kon het niet laten. ‘Ik bedoel wanneer iedereen in die bar ineens in een vampier verandert en de film abrupt overgaat in een soort Buffy the vampire slayer,’ zei ik.
    ‘Oh, dat.’ Ze haalde haar schouders op. ‘Dat had mijn vriendin me van tevoren al verteld.’
    Ik kromp inwendig ineen. Wat een muts.
    Mijn mobieltje ging. Ik haalde hem uit mijn broekzak en keek wie het was. Shelly. Iets in mijn binnenste maakte een sprongetje.
    ‘Sorry,’ zei ik, en ik keek Mariska aan. ‘Ik moet even opnemen.’
    Ze zag er niet uit alsof ze het heel erg vond.

3.
    ‘Met Richard.’
    ‘Hoi, met Shelly.’
    ‘Hoi, Shelly.’
    ‘Ik bel even voor je afspraak, die we zouden verzetten, weet je nog?’
    ‘Ja.’
    ‘Wat vind je van morgenmiddag twee uur?’
    Dan moest ik werken. ‘Prima,’ zei ik.
    ‘Oké, zie ik je dan.’
    ‘Tot dan.’
    We hingen op.
    ‘Shelly?’ vroeg mijn collega Peter. Hij keek me vorsend aan, met een trek om zijn mond die niet veel goeds voorspelde.
    ‘Shelly, ja. Daar belde ik net mee.’
    Hij gaf me een dreun op mijn schouder. ‘Hé, jongens,’ brulde hij door de kantine. ‘Richard heeft een meisje!’
    ‘Nee hoor.’ Plotseling was alle aandacht op mij gericht. Er werd gelachen.
    ‘Kom op, je hoeft je niet te schamen. Het is tamelijk normaal om een vriendin te hebben. Ook voor jou.’
    ‘Dank je, Peter. Als je me nu wilt excuseren?’
    Ik liep de kantine uit. ‘Wat is het toch een stuk chagrijn,’ hoorde ik achter me, maar ik kon niet uitmaken wie het gezegd had. Eerlijk gezegd wilde ik het ook niet weten.
    Er was dat weekend een bedrijfsfeestje geweest. Ik was niet gegaan. Ik voelde me niet op gemak bij feestjes en feestjes voelden zich niet op hun gemak bij mij. Ze gingen altijd op dezelfde manier: ik kwam er, nam een positie in en ging uiteindelijk weer weg met het gevoel dat alles volslagen langs me heen was gegaan. Het idee om met een grote groep mensen onder invloed van de nodige alcoholische hulpmiddelen een aantal uren over banaliteiten te praten leek me tamelijk zinloos.
    Het was nooit zoals in films.

Ik was zenuwachtig voor mijn afspraak met Shelly. Ik was vrij vroeg wakker en besloot langs de rivier te wandelen, ondanks de regen. Er lag een boot aangemeerd. Het was niet mijn boot, maar wel mijn pier en het zag er wel uit alsof er een voorstelling werd gegeven; een overdekt platform met tribunes. Op de pier lag een stuk soppig rood tapijt, zodat je niet uitgleed op de gladde planken. Er zat een handvol mensen op de ijzeren banken. Ze klapten hard, alsof ze het gebrek aan opkomst wilden opvangen door extra enthousiast te doen. Ik ging erbij zitten. Er stonden twee mensen op het podium. Een geschminkte clown met een maatpak zat achter een tafeltje en een besnorde en netjes gekapte zakenman met een clownspak zat er tegenover. ‘Psychiater’, stond er op een bordje op de tafel. De clown in het maatpak was de psychiater.
    ‘Maar dokter,’ begon de cliënt. ‘Soms voelt het net alsof mijn botten van rubber zijn.’
    ‘Dat is niet zo best.’
    ‘En dan heb ik het gevoel dat mijn tenen alle kanten op kunnen schieten,’ ging de besnorde zakenman verder.
    ‘Dat is niet zo best. Weet u wat u dan moet doen?’
    De psychiater stond op en liep naar een grote kast. Onderweg struikelde hij een aantal keer over de lange broekspijpen van zijn maatpak. Hij liet zich steeds plat op zijn buik vallen. Ik vroeg me af of het geen pijn deed, maar het publiek klapte. Ik klapte voorzichtig mee.
    De psychiater haalde een hondenbot uit de kast en gooide het naar zijn cliënt. Die ving het op tussen zijn tanden en sprong van zijn stoel af. Hij begon rond te rennen en te blaffen. Ik moest onwillekeurig glimlachen om de overgave waarmee hij zich voor schut zette. Na de hondenact dansten de clown en de zakenman met elkaar. Ze vielen op de grond, hun kleren waaierden door elkaar heen en toen ze weer opstonden had ieder de juiste kleren weer aan.
    Mijn buurman draaide zich naar me toe. ‘Dat is een truc. Een illusie,’ fluisterde hij.
    ‘Alles is een illusie,’ zei ik.
    De man knikte. Hij had een geruite pet op. ‘Je bent hier al eens eerder geweest.’
    ‘Er zijn altijd mooie voorstellingen op deze pier.’
    ‘Het zijn geen voorstellingen. Het is het leven. Kom hier maar eens terug, dan zul je het zien.’
    Ik knikte en wilde opstaan, maar de man hield me tegen. ‘De maan is een vrouw,’ zei hij. ‘Geen man. Een vrouw.’
    Ik knikte weer. ‘Dank u.’
    Ik liep de pier af. Toen ik omkeek was de man weg. Ik was niet eens verbaasd.
    Ik belde aan en Shelly deed open. Ze had haar haar opgestoken. De wind blies kleine krulletjes uit haar gezicht en bedekte het met kleine regendruppeltjes. De man met de geruite pet had net zo goed kunnen zeggen: de maan heeft rood haar, geen blond.
    ‘Je bent helemaal natgeregend!’ zei ze. ‘Kom gauw binnen.’
    Ze droeg een rok en een trui van donkerblauw fluweel. Deze keer geen coltrui. Ze had sproetjes in haar decolleté, zag ik, ondanks het pentagram dat ervoor hing. Ik besefte dat ik staarde en vroeg, meer om daar een goede reden voor aan te voeren dan omdat ik het echt wilde weten: ‘Wat betekent een pentagram eigenlijk?’
    Haar hand greep naar haar ketting. Ze hield hem voor me omhoog. ‘De vijf punten representeren de vier elementen en de geest, maar het geheel kan ook gezien worden als het symbool van Venus.’
Venus, de godin van de liefde. Ik keek naar haar hand met het pentagram, maar eigenlijk zag ik alleen de sproetjes maar. Ik knipperde met mijn ogen.
    ‘Eh, kan ik je iets aanbieden?’ vroeg Shelly, toen ik mijn blik weer naar haar gezicht had verplaatst. ‘Kamillethee, misschien?’ Ze trok haar ene mondhoek op.
    ‘Ja, lekker,’ zei ik, voor ik mezelf kon tegenhouden.
    Ik ging zitten bij de tafel aan het raam en keek hoe de regen voren trok op het glas. De stapel tarotkaarten lag er weer. Ik was benieuwd welke kaart ik zou trekken als ik de stapel nu deelde, maar ik vond het onbeleefd om in Shelly's spullen te rommelen in haar afwezigheid.
    Er stond een kleine tv in de hoek van de kamer. Ernaast stond – en dat had ik nog niet eerder opgemerkt omdat het zich achter me bevond – een groot rek met dvd's. Mijn blik viel meteen op de rug van één bepaalde dvd: From Dusk Till Dawn. Ik zat nog steeds omgedraaid toen Shelly met de thee kwam.
    ‘Ik bekijk je films even, als je het niet erg vindt’ zei ik. ‘Ik zie dat je From Dusk Till Dawn hebt. Toevallig, ik had het er onlangs nog met een collega over.’ Ik draaide me om. ‘Hoe vond je de film?’
Shelly keek even verrast. Toen zei ze: ‘Zeer apart. Het zijn net twee verschillende films. Het eerste deel beviel met het beste. Maar het is niet een film die ik nog eens wil zien.’
    ‘Daar ben ik het mee eens.’
    ‘Hier is je thee. Volgens mij,’ zei ze, ‘brand je van de vragen en heb je een aantal verhalen te vertellen.’
    ‘Voel je dat met je gave?’ vroeg ik nieuwsgierig.
    ‘Nee, ik zie het met mijn ogen.’
    ‘Oh,’ zei ik. Ik voelde hoe ik bloosde. Ik bloosde nooit. Maar dit was dan ook wel een hele stomme vraag geweest. Ik schoof mijn thee naar me toe en hield mijn handen rond de warme mok geklemd.   ‘Mijn verhalen.’
Shelly zweeg toen ik mijn gedachten ordende, net als de eerste keer.
    ‘Het eerste: ik had een droom, gewoon ‘s nachts. Over jou en de boot. Je liep de boot op en de boot voer weg. Misschien heeft het iets te maken met een bepaalde betekenis die ik aan de boot toe ken, maar ik zou niet weten welke.
    ‘Het tweede dat ik wil vertellen is weer een soort droom, denk ik. Ik liep langs de rivier – in het echt, bedoel ik – en ik zag een soort overdekt platform aangemeerd liggen aan de pier, op dezelfde plek als waar die andere boot twaalf jaar geleden lag. Ik ging erheen, omdat ik nieuwsgierig was. Het was een of andere voorstelling van een clown en een zakenman, maar dat doet er niet toe. Op een gegeven moment deden ze een truc waardoor hun kleren omwisselden. Het gaat om de man naast me, die zich omdraaide. Hij zei: ‘dat is een truc, een illusie.’ Ik zei: ‘Alles is een illusie.’ Hij zei vervolgens dat ik daar al eens eerder geweest moest zijn en ik beaamde dat. Ik zei dat er altijd mooie voorstelling waren op die pier. De man antwoordde dat het geen voorstellingen waren, maar dat er het leven opgevoerd werd. Ik liep weg, want ik moest naar mijn afspraak, en toen ik omkeek was de man verdwenen.’
    ‘Dit is net gebeurd.’
    ‘Ja.’
    Het was even stil. Shelly keek peinzend naar me, maar toen ik beter keek zag ik dat ze naar een punt achter me keek. Haar blik versprong naar mijn gezicht.
    ‘Kijk je veel films?’

4.
    ‘Wat heeft dat ermee te maken?’ vroeg ik. Vreemd genoeg voelde ik me betrapt.
    ‘Hoe vaak?’
    ‘Elke avond.’
    ‘Vroeger ook al?’
    ‘Zo lang ik me kan herinneren.’
    ‘Weet je waarom ik dit vraag?’
    ‘Nee!’ zei ik, niet-begrijpend lachend.
    ‘Ik ben geen psychiater, maar wat ik nu ga proberen uit te leggen klinkt misschien wel zo.’
    ‘Als je me maar geen hondenbot toewerpt,’ flapte ik eruit.
    ‘Wat?’
    ‘Laat maar.’
    ‘Dat moet je me nog eens een keer uitleggen,’ zei ze. Haar ogen schitterden.
    Ik voelde me zo gelukkig alsof ik werkelijk een bot toegeworpen had gekregen.
    ‘Goed,' zei Shelly, en ik ging rechtop zitten in mijn stoel, 'laat ik hiermee beginnen. Er was een psycholoog – Carl Gustav Jung – die dacht dat we een collectief onderbewustzijn hebben, waarin archetypen leven. De sprookjes die we in onze jeugd horen laten een soort spoor achter in onze geest. Een spoor dat uitmaakt hoe we denken, hoe we dingen beschouwen, gebeurtenissen, situaties. Ik ben niet echt duidelijk.' Ze glimlachte, verontschuldigend dit keer. 'Ik heb mijn opleiding tot psychologe niet afgemaakt. Maar goed, wat ik hiervan vind overeenkomen met jouw situatie is het volgende: ik denk dat het fervent kijken van films een spoor achterlaat in je geest. Begrijp je wat ik bedoel?'
    'Eh...' zei ik.
    Ze gaf me even de tijd om nog iets te zeggen, maar ik kon niets bedenken. Ik vond het sowieso moeilijk om na te denken. Ik vroeg me af hoe haar tere haar zou aanvoelen in mijn handen, en wat voor kleur haar schaamhaar had, iets wat ik me altijd afvroeg bij roodharige vrouwen. Ik riep mezelf tot orde, en wist te zeggen: 'Het kijken van films maakt dat ik het leven zie vanuit filmisch standpunt.'
'Precies.' Ze leunde achterover. Ik voelde haar voeten zich verplaatsen onder de tafel. Ze haalde haar schouders op. 'Het vormt een soort kader waarbinnen je onderbewuste kan spreken. Alles wat het je wil zeggen wordt vertaald naar de taal van films, met beelden en situaties en geluiden en muziek.'
    Ik fronste. 'Dus de dingen die ik zie, komen uit mezelf.'
    Ze knikte.
    'Ik maak ze,' voegde ik er voor de zekerheid aan toe.
    Ze knikte nogmaals.
    In de vensterbank lagen de verdroogde poten van één of ander beest, veilig beschermd tegen de regen aan de andere kant van het raam. Gordijnen en spinnenpoten.
    ‘Weet je wat iemand laatst tegen me zei?’ Ik keek haar aan. ‘Er bestaan verschillende soorten magie.’
Ze keek op, als door een speld gestoken.
    ‘Wat wil je daarmee zeggen?’
    ‘Weet ik niet.’ Ik haalde mijn schouders op en lachte verontschuldigend. ‘Het leek me op zijn plaats.’
    Ze leek erover na te denken. Intuïtief voelde ik aan dat dit haar net zo raakte als dat gedoe met haar gave en mijn ouders, en dat het misschien verband met elkaar hield.
'Wat gebeurde er eigenlijk, de vorige keer? Het leek alsof je gehuild had.' Ik hield mijn adem in.
Ze schrok. 'Oh, dat.' Ze staarde naar haar handen. 'Ik kan het niet goed omschrijven. Als medium word ik zelf soms ook geraakt door iets, maar dat is dan persoonlijk, iets waar ik zelf nog mee moet dealen. Dit was anders. Ik, eh...' Ze slikte. 'Ik voelde ineens een connectie. Met jou.'
Van de zekere manier waarmee ze me tot nu toe had begeleid was niets meer te merken. 'Het overviel me,' vervolgde ze.
    Er viel een stilte. Het was een stilte die beladen was met allerlei ongezegde dingen, maar op een aangename manier.
    Even zag ik haar daar zitten, in een blauwe jurk. Toen ik knipperde was het beeld verdwenen.
    'Ik weet het niet,' zei ik, tegen niemand in het bijzonder.
    Er viel weer een gat in het gesprek. Mijn geest was een heerlijke, uitgestrekte leegte. Ik voelde me vreemd. Bijna alsof er iets was weggenomen, maar ik wist niet wat het was. Misschien was het een wriemelend beest van onbehagen.
    De wereld was niet op zijn kop gezet, ik was het. Ik hing daar, als de gehangene, en vanuit dat gezichtspunt zag alles er anders uit.
    Nu of nooit. Ik voelde me licht in mijn hoofd toen ik vroeg: ‘Wil je eens een film met me kijken?’
Ik rook heel scherp de geur van de kamillethee, ik hoorde elke afzonderlijke druppel regen en ik zag hoe Shelly's grijze ogen zich verrast opensperden.
    Met een schok zat alles plotseling weer op zijn plaats.
    Wat had me in vredesnaam bezield?
    Shelly knipperde met haar ogen en glimlachte langzaam.
    ‘Graag,’ zei ze.
    Ik voelde hoe er een stompzinnige grijns op mijn gezicht verscheen. Ik kon er niets aan doen. Mijn gezichtsspieren wilden me gewoon niet gehoorzamen. Ik probeerde de draad van het gesprek weer op te pakken, maar ik kon me niet herinneren wanneer we voor het laatst iets zinnigs hadden gezegd. Hádden we dat überhaupt wel gedaan? Ik wist het niet meer.
    Shelly keek geamuseerd. ‘Ik denk eerlijk gezegd dat we klaar zijn.’
    ‘Ik denk het ook,’ zei ik, en ik probeerde te begrijpen wat er zojuist gebeurd was. ‘Bedankt,’ wist ik uit te brengen.
    Ik staarde naar Shelly’s handen op tafel. Ze trok ze onder haar kin. ‘Jij hebt verreweg het meeste werk gedaan. Je begreep dat het niet alleen ging om de verklaring van je visioenen, maar ook om de acceptatie ervan.’
   Ik wist niet goed wat ik moest zeggen: zij had alles al gezegd. Ik haalde diep adem. ‘Ik denk dat ik maar ga.’
    ‘Goed.’ Shelly legde haar handen plat op tafel. Ik staarde naar mijn eigen handen, maar zag vanuit mijn ooghoeken dat ze naar me keek.
    Ik stond langzaam op en liep naar het halletje. Het was alsof ik een stukje van mezelf bij dat raam achterliet. Het was onwerkelijk, daar bij die gammele kapstok. Shelly stond tegen de deuropening van haar woonkamer geleund.
    ‘Je jas stinkt verschrikkelijk,’ zei ze.
    ‘Sorry. Hij heeft de hele zomer in de berging gelegen.’
    ‘Ik zou een nieuwe nemen, als ik jou was. We bellen nog wel over die film, oké?’ stelde ze voor.
    ‘Is goed.’ Ik had mijn jas zo langzaam mogelijk dichtgeritst, maar nu was er geen reden meer tot uitstel. Ik stapte naar buiten. Toen ik omkeek zag ik dat Shelly nog steeds in de deuropening stond. Ze zwaaide. Ik zwaaide terug en glimlachte.
    Ik snoof de geur van de herfstbladeren diep in me op toen ik naar huis liep, en stak mijn handen in mijn zakken. Onderweg probeerde ik nogmaals te verklaren wat er zojuist gebeurd was. Wat was echt en wat was een illusie?
    Ik stopte er abrupt mee. Niet alleen omdat het geen zin had om daarin te graven, zo was ik eindelijk gaan vermoeden, maar ook om een andere, veel wezenlijker reden. Het gezicht van Shelly verscheen voor mijn geestesoog. Zo duidelijk alsof ze werkelijk voor me liep, zag ik voor mijn geestesoog dat ze haar pentagram, symbool van de liefde, omhoog hield.
    Haar zachte stem leek het me in mijn oor te fluisteren: 'Sommige dingen zijn geen illusie. Sommige dingen zijn magie.'