maandag 26 augustus 2013

aan de achterkant van

Ik heb ruimte. Laat ik daarmee de toon zetten. 

Het is niet nodig om los te laten, maar wel om stukjes van je ziel, die zijn achtergebleven, terug te roepen. En ook om ruimte te laten ontstaan, vanuit je midden, waarin je vrijelijk en genotvol kan ademen. Abstracte gevoelens echoën in een leegte die zojuist nog gevuld was. Mijn geliefde weeft me voor: en die zullen zich samenvoegen tot een herkenbare vorm. Maar eerst mag ik ermee zitten. Ik rust op mijn lauweren. 

Ik weet niets meer. Ik omhul een groot onbekende, ben zwanger van niets, opgeblazen van meer en lucht en dansend in mijn stilstand. Mijn ogen vliegen over vlindervluchten, vlechten blauwe luchten samen met autowegen, haken voor een moment vast aan een persoon, iemand met haar en blote huid en kleren, met zijn eigen keuzes en karakter en achtergrond, en verplaatsen zich dan als een gouden spoor in de lucht die ik bekijk. Mijn mond brandt van smaak. Kippenvel rolt langs mijn schouders naar beneden, naar boven. Mijn armen bevatten het verlangen omhoog te reiken. Mijn voeten gaan nergens heen, zelfs als ze bewegen.

Het genot van het aanschouwen van de wereld als je ergens bent vertrokken, en alles kan gebeuren. Je gebeurt en je mag kiezen wat je ziet. Je mag kiezen dat je de mooie dingen ziet.  

Na een reis, kort of lang, uitstappen en stilstaan, daar, waar je staat, en voelen hoe je bekken zich opent en volzuigt en leegstroomt, zoals slapende ledematen doen, voelen hoe de reis van je af dampt. 

In de spiegel kijken en niets zien dan wie je bent, heel, gewoon, prachtig. Er is niets meer om te willen, om te bereiken, om je aan te trekken. Stilte implodeert in je borstkas. Vertrekken is een beetje doodgaan. En alles wat overblijft is de schittering op metaal, als een sieraad voor je geheugen. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen