zaterdag 23 april 2011

Speech

Gisteren was ik op eenmansexcursie naar Den Haag en Rotterdam om tentoonstellingen te bekijken. Meestal tref ik één of twee kunstwerken die me echt raken, en daar blijf ik dan een tijdje naar kijken. Deze werken blijven de rest van mijn leven bij me en vormen de grond van wat ik onder kunst versta. Moraal: ik moet vaker musea bezoeken.
Gisteren deed ik mezelf dus een plezier. Ik wist dat ik niet veel energie had; de avond ervoor had ik namelijk een biertje gehad en alcohol is funest voor je weerstand. Een zwakke longenergie betekent lage weerstand, vandaar dat typische longziektes de ziektes zijn die te maken hebben met overgevoeligheid. Die alcohol zat nog steeds in mijn bloed. Naar mijn gevoel was mijn lever hard bezig de afvalstoffen te verwerken, met als gevolg dat ook mijn leverenergie geprikkeld was. Met dat biertje deed ik mezelf dus geen plezier, maar soms heb je de behoefte aan wat houvast in je handen.
Ik zat dus te twijfelen: moest ik wel of niet gaan? In principe is alles wat een mens kan doen op een dag prima, zolang je er maar geen punt van maakt. Of je nou veel of weinig doet, als je lekker in je vel zit slaap je even goed. Dus ik gaf mezelf een uitdaging.

Deze excursie was een oefening in vrijheid. Nee, als ik zeg 'oefening' lijkt het alsof het nog niet het echte werk is. Ik bedoel: ik was volkomen vrij om te denken en te doen wat ik wilde, en een paar mooie herinneringen te maken. Mijn excursie was een soort spirituele reis, een pelgrimstocht met als heilige graal vrijheid. Ik ging er bewust en eerlijk in mee, en zo kwam het dat er allerlei synchroniciteiten ontstonden. Weet je wel, die geestestoestand dat de tijd zowel voor- als achteruit kan gaan, in potentie. En dat je gedachten niet een lineaire keten vormen maar een bolwerk met allerlei dwarsverbanden, dat steeds oplost en zichzelf ontmantelt en daarna weer ontstaat op een heel andere manier maar in wezen gelijk is. Dat indrukken en theorieen en sensaties van zowel buiten als binnen je geest samenkomen en dan weer binnen je geest zijn en tegelijk ben je verbonden en ga je een wisselwerking aan met alles om je heen.

Door toedoen van die verdomde keuze dat ik een biertje had gedronken, had ik een jeukaanval (lees: krabaanval) gehad en als gevolg daarvan zag ik er niet uit: mijn hals zat vol rode plekjes. De kunst is dan om je te gedragen alsof je desondanks perfect bent. Dit verwart en intrigeert mensen. Je bent dan perfect in imperfectie: je bent tenslotte nog steeds ziek. Zal ik ooit beter worden? Ik geloof van niet.

Ik zag een installatie van Gabriel Lester: Suspension of disbelief in het Boijmans van Beuningen. In een ruimte met een aantal objecten als een kamerplant en een trapje op wieltjes speelde licht in een lege hoek op het verhaal van muziek en geluidseffecten. Zo ontstond er een filmische gesammtkunst. Rokerige jazzmuziek maakte broeierig rood licht, dat ineens overging in een koele groene schemering op het geluid van tikken en kraken. Een snelweg: een vrachtwagen reed voorbij. De koplampen maakten even veel wit licht. Daarna liep iemand de trap van zijn huis op en deed hier en daar een licht aan.
Toch was er niet meer te zien dan een grotendeels lege ruimte met lichtspotjes in het plafond, die geflankeerd werd door een aantal objecten. Het verhaal maakte je in je hoofd.
Toen ik die kant uit liep begreep ik eerst niet waar het kunstwerk was. Vervolgens begreep ik het niet. Wat er vervolgens gebeurde weet ik niet, maar ik liep naderbij, ging er middenin zitten (de ruimte is aan één kant open) en toen ineens was mijn disbelief suspended en ging ik mee in het verhaal. Het was wonderbaarlijk hoeveel emotie louter de kleur van licht kan oproepen, en hoe roerend rokerige jazz kan zijn. Een werk dat me bij zal blijven.

Gedurende de hele dag had ik al het gevoel een bekende tegen te gaan komen. Ik had zo wel mijn verwachtingen, maar wat schetste mijn verbazing: ik liep niemand minder dan Roland Schimmel tegen het lijf! Ik heb me volgens mij nog nooit zo betrapt gevoeld.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen