vrijdag 3 september 2010

Flora

Ik droomde de achtertuindroom. Die heeft als thema dat de dingen aan de achterkant van het huis waar ik ben opgegroeid niet meer zijn wat ze moeten zijn. Ze worden als het ware vervangen door een filmset die meteen begint zodra je de tuindeur uitstapt, of, in veel gevallen, door mijn slaapkamerraam kruipt. Deze keer was er een groot glooiend grijs strand. Het was doorspekt met brokken steen. De vriend van mijn moeder stond met een gasmasker op in een stofdicht pak het zand op te zuigen. Het zag er heel eenzaam uit.
Achter het strand was het water en met de hele wereld zwommen we daarin. Er zat een knik in het water: daardoor stroomden we naar beneden. Daarachter waren gelukkig grote blauwe zandbanken, waar we veilig op landden.
Ik was binnen in een huis vol dozen, of misschien was het huis van dozen gemaakt, en daarin was ook de kat. Ze was nog kleiner en jonger dan op de foto's.
Willem, mijn broertje, riep me vanaf buiten (misschien moest ik ook een gasmasker opdoen en het zand beginnen op te zuigen), en ik riep de kat, voor wie ik op dat moment een naam bedacht. 
Ze sprong vanuit haar doos dankbaar in mijn armen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen