zaterdag 31 juli 2010

Perforatieslang

Ik heb vannacht gedroomd over de perforatieslang. De perforatieslang is fluoriscerend groen en heeft één tand, waarmee hij je vroeg of laat (je kunt niet ontsnappen) in je kuiten bijt, en de perforatieslang blijft daar voor onbepaalde tijd hangen. Het is dan ook zaak om je benen onder de dekens te houden. Daardoor krijg je het warm. Dit versterkt het effect van in-de-jungle-zijn.

zaterdag 24 juli 2010

zondag 18 juli 2010

There are trap doors

Er stond een verlaten gebouw naast de weg. De witte verf was afgebladderd en het grasveld waar het op stond vergeeld, omringd door een hek vol waarschuwingen. Het bordje ‘Discoteque’ boven de deur was het enige aanknopingspunt dat je ogen hadden, dus las je het keer op keer.
Het gras was gemaaid.
Als je om het gebouw heen liep, zag je nergens een onderbreking. De deur leek dichtgemetseld. Geen ramen. Geen versieringen. Geen graffiti.
Het deed denken aan een ongewenst kind dat zijn ogen nog niet geopend had, aan iets oerouds en onvermurwbaars. Aan iets dat sliep.
Het was onduidelijk of het gebouw nog in gebruik was. Dat kon je aan de buitenkant niet aflezen. Het was onvoorstelbaar dat het nog in gebruik was, maar waarschijnlijk veranderde dat zodra het donker werd.
Af en toe raasde er een Franse auto voorbij. Aan een paal in de berm tussen het gebouw en de tweebaansweg hing nog een bord. Op de ene kant stond Night Club, op de andere Blue Club. Het bord was voor de automobilisten bestemd, maar die registreerden het nauwelijks.

Het meisje in de trein keek naar buiten. De trein stond stil. Op het perron aan de overkant zag ze blauw licht en het woord 'Antwerpen'. Ook zag ze een man met een kind op zijn schoot met een pop op haar schoot. Haar ogen schoten heen en weer van de huidskleur van de pop naar die van het kind naar die van de vader, tot ze bevestigd had welk van de drie niet echt was. Toen pas kon ze zich ontspannen. Er liep een Japanse toeriste naar de man toe met een vraag. Ze gebaarde met haar armen en keek de man aandachtig en beleefd aan. De man stond op. Nu zat de pop tussen het kind en de man in. Hij gebaarde met zijn vrije arm.
Ze spraken niet dezelfde taal, dus het gesprek was goed te volgen voor het meisje in de trein.
De twee mensen wezen een paar keer, tot ze er zeker van waren dat de juiste informatie overgebracht was.
Toen liep de man met het kind op zijn arm met de pop op haar arm weer terug naar zijn bankje, maar op dat moment reed de trein weg. Het meisje in de trein draaide haar hoofd tot ze hen niet meer kon zien. Vlak voor het moment dat ze uit het zicht verdwenen had ze zich echter omgedraaid, alsof ze het heft in eigen hand wilde nemen.
Ze had zich helemaal niet willen hechten aan deze mensen.

In de stad op de stoep stond een ventilator. De bovenste kap miste. Hij stond nét op de stoeprand. Het snoer met de stekker lag er als een staart achter. Dat lag wel op de straat.
Het was een plek waar niet veel mensen stilstonden. De straat helde een beetje. Je vond het er niet prettig. Er was teveel ruis, teveel wat je niet wilde zien, zoals een ventilator met een missende kap die op de rand van een stoep balanceerde, als een schilderij in een hotelkamer dat scheef hing. Je wilde dat niet zien, want dan zou je de neiging hebben het recht te zetten.
Er liep een lange man voorbij. Onder zijn oksel droeg hij een grote ventilator. Hij was wel twee maten groter dan die op de stoep. Je zou kunnen denken dat hij zijn oude, kapotte ventilator bij de weg had gezet en een nieuwe had gekocht. Dit was niet waarschijnlijk: de man woonde niet in de straat. Hij liep er alleen doorheen.
Het was al een tijdje heel warm.
De ventilator was van niemand.

donderdag 1 juli 2010