zaterdag 27 maart 2010

Droom, 18-08-2009

Ik was een man, hoewel ik soms een zekere afstand tot die identiteit bezat, alsof hij de ik-persoon was uit een boek dat ik las. Dan kon ik alleen toekijken.
Ik was een man en ik naderde het ziekbed van een andere man, die ik 'de Egyptenaar' zal noemen. Het was duidelijk dat hij aan een zeldzame, maar ernstige ziekte leed. Hoewel hij zowel mijn Venetiaanse als mijn witte masker droeg, ving ik glimpen op van zijn gezicht (het tweede masker hield hij er ook meer voor) en ik zag het volgende: een leerachtige, zwarte huid die strak om zijn kale schedel spande, twee gaten op de plek van zijn oren, nog één bij zijn neus en een liploze mond, waardoor het leek alsof hij continu grijnsde. Maar het ergste waren zijn ogen. Die waren groen en blauw en zwart en fonkelend, en ze waren prachtig. 
Ze keken me recht aan.
Hij lag onder een laken, maar haalde reutelend - echt hoorbaar - adem, dus ik nam aan dat de rest van zijn huid er hetzelfde uitzag (later zag ik echter dat alleen zijn hoofd aangetast was).
Er lag een kunsthand op het laken, en ik/de man deinsde vol afschuw terug toen die omhoogkwam, maar toen hij me aanraakte bleek hij van het fluweligste hout te zijn.
Ik bezag de Egyptenaar met een mengeling van die intense afkeer die men voelt bij een verminkte en, vreemd genoeg, een aarzelende devotie. Zijn energie was zo mooi dat ik bijna meteen verliefd op hem werd.
De Egyptenaar droeg de naam Jeroen Bosch. Ik/de man begreep dat al die absurde, nachtmerrie-achtige taferelen die hij schilderde voortkwamen uit frustratie over zijn uiterlijk.
(censuur)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen